Boos gooi ik mijn mobieltje naar het bed. Waarom belt ze af met zo’n kutsmoes?
Die kaarten waren veertig euro waard, per stuk. Oké, ze had ze gewonnen, maar
zoiets zeg je dan toch niet zomaar op het laatste moment af? Gisteren heeft ze een
leuke jongen ontmoet, waar ze vanavond mee uitgaat. Ze gaat vast met hem naar
het concert, flikt ze me wel vaker. Leuk hoor.
Ik kijk naar de Metallica poster boven mijn bed. De muziek van de band van
vanavond vind ik veel te soft, maar voor haar wilde ik wel meegaan. Oké, en voor
de zanger. Ik concentreer me maar weer op mijn kledingkast. Ik ben nog nooit in
mijn uppie naar een concert gegaan. Zal ik vanavond gewoon gaan? Ik staar in de
spiegel, het nooit gedragen en veel te korte rokje dat ik in mijn handen heb trek ik
vlug aan, met een zwart shirtje. Staat goed, straks mijn nieuwe laarsjes eronder en
alle jongens vallen vanavond voor me.
Mijn telefoon is kapot gevallen, Nokia’s kunnen ook nergens meer tegen. Ik
probeer hem te reanimeren, maar zonder resultaat. Ik heb ook geen flauw idee wie
ik in hemelsnaam kan overhalen om mee te gaan. En was het concert niet
uitverkocht? Ik ben wel benieuwd naar Melonade. Mijn ex-vriendje Tim is de zanger
van de band. Vroeger kon hij al heel goed gitaar spelen, ooit heef hij een keer een
nummer voor mij geschreven. Ik wil hem best nog wel een keer zien. Ik ga gewoon.
Misschien verkopen ze buiten nog wel kaarten. Ik besluit mijn blauw gekleurde
lenzen in te doen en mijn blonde haar te krullen met de krultang. Dan kom ik
erachter dat ik de tijd ben vergeten, ik moet me haasten als ik nog op tijd wil komen
voor het concert.
Een overvolle tram vier brengt me naar Duivendrecht, de dichtstbijzijnde tramhalte
voor de Heineken Music Hall. Ik bewonder het grote gebouw vanuit de verte, tot ik
het plein nader. Op het plein speelt een groep tieners een partijtje basketbal. Het
treinstation waar groepen mensen vandaan komen ziet er meer uit als een
bouwput. Ik kijk naar de mensenmenigte die naar binnen wil gaan. Het bord boven
de ingang meldt dat het concert is uitverkocht, ik stap op een paar mensen af.
‘Hebben jullie nog een kaartje over,’ vraag ik.
Ze kijken me raar aan. Ik probeer het bij nog een paar anderen, maar helaas. Ik
kan wel huilen, wat doe ik hier in hemelsnaam? Ik ga op een bank zitten bij het
voetbalveld. Jaloers staar ik naar de steeds korter wordende rij. Ik bestudeer het
gebouw heel goed. Zou Tim mij nog herkennen? Zou ik backstage kunnen komen?
Ik loop een stuk langs het gebouw, oplettend naar ingangen die me naar binnen
kunnen leiden. Achter een hek zie ik twee mensen naar binnen verdwijnen. Ik kijk
om me heen, zal ik klimmen? Staat niet zo netjes, waarom heb ik in hemelsnaam
een veel te kort rokje aan? Nee toch maar niet. Ik loop weer terug naar de
hoofdingang. Zouden ze me geloven als ik vertel dat ik mijn kaartje ben vergeten?
De meeste mensen zijn al binnen, je kan nu zonder te wachten de portiers
passeren. Ik kijk een tijd om me heen, mijn aandacht valt op een man met een
grote cameratas. Vast een fotograaf, ik volg hem naar een andere ingang. Hij laat
een pas zien aan een vrouw en mag naar binnen. Ik doe alsof ik bij hem hoor en
knik vriendelijk naar de vrouw. In snelle passen kom ik door de ingang, zonder
tegengehouden te worden. Dus zo gemakkelijk gaat dat. Moet ik vaker doen, gratis
naar concerten. Ik ga mijn eigen weg in door de lange gang. Geen flauw idee waar
ik heen moet. Het lijkt meer een doolhof.
Twee ruziemakende stemmen galmen van ver. Van een meisje en een jongen.
De jongensstem komt me bekend voor. Ik luister eens goed.
‘Het is uit, Angelique. Het werkt gewoon niet meer!’
‘Maar het kan niet uit zijn, ik hou van je!’
‘Ik kan niet meer tegen je vanwege dat jaloerse gedrag. Net ook weer. Ik word er
gek van!’
Die stem. Zal het hem echt zijn? Moet wel, ik neem aan dat het een van de
kleedkamers is. Ik loop dichterbij. De kamer waar ze uit komen staat open. Ik ga in
de deuropening staan. Dus zo ziet een kleedkamer van de artiesten er uit, drie bij
twee meter, kale muren, een zwarte bank en een kleine houten tafel met twee
stoelen. De twee mensen erin merken me niet eens op, hebben het veel te druk
met ruziën. Maar verdorie, het is gewoon Tim die daar staat. Mijn ex-vriendje Tim.
Ik kijk naar hem, hij is nog steeds een lekker ding. Hij is amper veranderd alleen
zijn haar zit iets anders, hij heeft het laten groeien, staat hem wel. Ik probeer zijn
groene ogen op te vangen, die staan altijd zo mooi als hij boos is, alsof ze iets
extra’s te vertellen hebben. Nooit meer na hem ben ik verliefd geworden op een
jongen. Hij was het perfecte vriendje en ik heb hem gedumpt. Ik was negentien en
wilde na drie jaar gewoon weten hoe het was om vrijgezel zijn. Ik heb het mezelf
nooit kunnen vergeven.
‘En wat moet jij hier?’ roept hij opeens tegen mij.
‘Ik eh.’
‘Ik moet me concentreren voor het optreden, kom na het optreden maar terug.’
Ik zie hoe zijn ogen over mij glijden. Toch blij dat ik mijn korte rokje heb
aangetrokken.
Hij kijkt op zijn horloge en loopt mij en het andere meisje straal voorbij.
‘Tim,’ roep ik.
Even kijkt hij om.
‘Sorry, maar ik moet nu het podium op.’ En hij loopt weer verder.
Ik kijk hem dromerig na. Ik merk dat zijn ex me boos aanstaart.
‘Dus hij is weer vrijgezel,’ merk ik op.
‘Na het optreden maakt hij het weer goed met me.’
Ik wil hem terug. Zelfverzekerd loop ik de gang weer door, ik stuit op bordjes die
naar het balkon leiden, straks na het concert zoek ik hem weer op.
Het balkon is aan de linkerkant van het podium. Ik heb een goed uitzicht. Een
paar mensen zitten achter me aan de bar, verderop staat nog een groepje. Ik leun
tegen de reling van het balkon en kijk naar de mensenmenigte die beneden me
staat te wachten. De grote lichten gaan uit en de scanners en rookmachine vullen
het podium met een paarse mist. Tim en zijn bandleden komen op en beginnen
met spelen.
Grappig gezicht om vanuit de hoogte de lichtjes van mobieltjes te zien glimmen in
de donkere zaal. Het is drukker achter me geworden merk ik als ik even omkijk.
Toch, het voordeel van backstage een concert meemaken is dat je niet tussen de
duwende menigte je plekje hoeft te verdedigen, dat je lekker alle ruimte hebt om
echt mee te kunnen dansen. En nog een voordeel, de bar schenkt gratis drinken.
Ik ben al met mijn derde glas wijn bezig als het meisje uit de kleedkamer me
opvalt. Ze gaat naast me staan en negeert me. Even twijfel ik. Zal ik haar
aanspreken? Aan haar ogen kan ik zien dat ze heeft gehuild. Ik drink mijn glas
leeg.
’Wil je ook iets drinken?’ begin ik maar.
‘Nee,’ antwoordt ze.
‘Echt niet? Het is gratis hoor.’ Ik kijk haar vriendelijk aan.
‘Nou, doe dan maar een biertje.’
Gezamenlijk lopen we naar de bar. Ik bestel een bier en een witte wijn.
‘Ik ben ook een ex van Tim,’ zeg ik, terwijl ik haar het glas bier overhandig.
‘Jij bent een van de zo velen. Hij wil je heus niet terug als vriendin hoor. Hij houdt
nog steeds van mij.’ Ze loopt het balkon af.
Ik focus me weer op de band. Tim danst leuk op het podium terwijl hij zingt. Ik
observeer zijn danspassen en doe ze na. Het laatste nummer alweer. Ik bestel snel
nog een wijn. Straks is de bar misschien al dicht. Ik neem me voor hem straks weer
in de kleedkamer op te zoeken.
De lege kleedkamer stelt me teleur. Ik mocht toch na het optreden terugkomen?
Hoeveel wijn heb ik al op? Ik ben een beetje aangeschoten. Ik loop de trap naar
het balkon weer op. De bar is nog open. Eén glas wijn meer of minder haalt nu
ook niet meer uit en ik bestel er nog één. Een rode dit keer, voor de verandering.
Tim en een bandlid staan bij een paar meisjes op hetzelfde balkon als waar ik sta.
Ik stap op het groepje af en ga naast Tim staan.
‘Je bent het echt hè?’ fluistert hij me in mijn oor.
Ik kijk hem vriendelijk aan.
‘Leuk je weer te zien Roos. Ik had je net niet herkend, maar nu weet ik het weer.
Wat is dat lang geleden.’
‘Ja hè?’ Ik voel me draaierig. We geven elkaar een knuffel en Tim loodst me naar
twee lege barkrukken.
‘Je hebt het wel gemaakt, als muzikant, ’ begin ik.
‘Tja, maar goed dat ik nooit naar jou geluisterd heb. Jij geloofde nooit dat ik
beroemd zou worden, weet je nog? Maar vertel eens, wat doe jij nu? Jij bent vast al
getrouwd met twee kinderen er bij.’
‘Totaal het tegenovergestelde.’
‘Heb je wel een vriendje?’
‘Ook niet.’
‘Ik ben ook weer vrijgezel. Sinds vanavond. Alleen mijn ex wil er niet aan
geloven.’
‘Waarom is het uit?’
‘Ze was te jaloers. En nu kan ik eindelijk weer leuke meisjes zoals jij mee naar
huis nemen.’
‘Is dat een hint?’
‘Misschien?’ Hij knipoogt naar me. ‘Maar ik zou het fijn vinden om thuis met je bij
te kletsen. Zin om met me mee te gaan?’
Veel te enthousiast knik ik en volg hem, omdat hij nog wat spullen van hem in de
kleedkamer op moet halen. Ik ga op de bank in de kleedkamer zitten en kijk duf toe
hoe hij zijn spullen in een metalen koffer propt.
‘Ik moet nog even iets doen. Ik ben zo terug. Wacht je op me?’
‘Tuurlijk.’
Ik ga languit op de zwarte bank liggen en bestudeer het plafond. Ze mogen het
best eens schoonmaken, in de hoeken zie je spinrag en het grijs begint op
sommige plekken zwart te worden. Op de tafel staat een krat bier, half gevuld met
flessen. Tegen de muur leunt zijn gitaarkoffer.
Ik schrik als ik de kleedkamerdeur weer open hoor gaan. Ik kijk op. Tim en zijn ex-
vriendin lopen naar binnen. Ik ga overeind zitten en kijk het meisje vragend aan.
‘Dus zij is de reden dat je het uitmaakte?’ schreeuwt ze door de kleedkamer. Ze
stampvoet op de grond. Ik kan me niet voorstellen dat Tim voor een meisje als zij
heeft kunnen vallen. Ze hebben vast niet lang iets gehad.
‘Angelique, dat doet er niet toe. Laat ons met rust.’
‘Het kan niet voorbij zijn. Na twee jaar dump je me voor een sloerie in een kort
rokje.’ Ze kijkt me verwijtend aan.
Misschien moet ik mijn korte rokje toch maar weggooien na vanavond.
‘Nu ga je te ver.’ roept hij tegen haar. ‘Biedt je excuses aan.’
‘Nee, ik meen het.’ Ze gaat leunend tegen de muur staan. ‘Ik had gelijk, is het
niet? Je neemt vaker groupies mee naar huis. Nou vanavond ga je mooi met mij
mee. Ik moet je iets belangrijks vertellen.’
‘Nee, vertel maar hier, dan kunnen we alle twee verder.’
‘Nee, niet hier. Het is iets persoonlijks.’
Zwijgend wacht ik hun gekibbel af. Tim heeft het blijkbaar al opgegeven om tot
haar door te dringen. Hij gaat naast me op de bank zitten en steekt een sigaret op.
‘Ga je mee?’ fluistert hij. Hij neemt één trek van zijn sigaret en gooit hem op de
grond. Hij stampt er vervolgens met zijn voet op.
Nog voor ik kan antwoorden staat hij voor me en trekt me met zijn hand staande.
Nu sla ik mijn arm over zijn schouder en we lopen langs Angelique de kleedkamer
uit. Even stopt hij om zijn gitaarkoffer op zijn rug te doen. Hij pakt zijn metalen
koffer en we lopen de kleedkamer uit.
‘Wil je het echt niet weten? Het is belangrijk, ’ roept ze ons na.
‘Nou vertel dan maar.’ roep ik terug. Ik sta even stil en kijk achterom. Maar ik kan
haar niet meer horen. Tim slaat zijn lege arm om me heen en duwt me in snelle
pas mee de hal door naar de uitgang.
Ik laat me door hem in zijn cabrio naar zijn huis rijden. Mijn haar wappert voor
mijn gezicht door de wind. Een idool als hij woont vast in zo’n mooi groot
grachtenpand met grote ramen en een grote achtertuin. Verbaasd ben ik als hij in
dezelfde straat stopt als waar hij tien jaar geleden woonde. Ik volg hem het
studentenhuis in, naar zijn vier bij drie woonkamer. Zijn keuken en douche deelt hij
met anderen, zijn slaapkamer, daar past net een tweepersoonsbed in, dat weet ik
me nog te herinneren.
Het is rommelig in zijn kamer. Lege Heineken bierblikjes liggen op zijn
dressoirtafel, en er staat nog een vies wijnglas, er zit lippenstift op. Twee lege
pizzadozen slingeren op de grond. Zou dit zijn laatste diner zijn geweest met zijn
Angelique? Hij opent een fles Lambrusco, en al had ik me voorgenomen geen
alcohol meer te drinken, gulzig neem ik een paar grote slokken van de witte wijn.
Zwijgzaam zitten we naast elkaar op de bank. Hij slaat zijn arm om me heen en ik
leun tegen hem aan. Ik voel me weer die verliefde tiener van tien jaar geleden. Ik
kijk toe hoe hij zijn sigarettenrook wegblaast. Ik heb geen zin om te praten. Ik sluit
mijn ogen en luister half naar zijn verhaal over hun toer in Amerika.
‘Ik wil ook naar Amerika,’ zeg ik. Ik staar hem in zijn ogen. De passie die ze tien
jaar geleden uitstraalden is verdwenen. Even buigt hij naar voren, om mijn lege
wijnglas bij te vullen.
‘Ik heb je gemist al die tijd,’ fluistert hij. “Ik denk nog vaak aan jou.’ Hij trekt me op
schoot en geeft me een vluchtig kusje. Ik kus hem terug. Ik wil meer.
‘Slaapkamer?’ fluister ik.
Hij tilt me op en brengt me naar de slaapkamer.
Dan gaat de telefoon. ‘Moet je niet opnemen?’
‘Laat maar bellen.’
De telefoon gaat een paar keer over. Hij legt me op het bed en gaat weer verder
met zoenen. Het antwoordapparaat vertelt de niet thuis boodschap van Tim. Mijn
shirtje verdwijnt op de vloer.
‘Hoi met Angelique. Tim ik weet dat je nu luistert. Als je me niet persoonlijk wil
spreken dan vertel ik het je maar op deze manier. Ik heb aids, wil je me alsjeblieft
terugbellen?’ meldt Angeliques stem door de telefoonspeakers.
Mijn rokje verdwijnt ook op de vloer.
Hoorde ik dat nou goed? Dat kan toch niet? Vast een grap. Tim stopt met zoenen
en gaat op het bed zitten. Ik blijf liggen en staar naar het plafond.
‘Dit kan niet,’ begint hij.
Vroeger was hij een van de populaire jongens op school. Ik voelde me zo trots,
dat hij mij zag staan. Ik was zijn grote liefde, beweerde hij.
‘Bel haar even,’ zeg ik.
Ik kon er toen nooit tegen dat andere meisjes hem van me weg probeerden te
kapen. Ik luisterde niet naar de roddels over hem en andere meisjes.
Hij schudt zijn hoofd en kijkt me zielig aan. Ik kom overeind en ga naast hem zitten. Als
Angelique het heeft, dan moet hij het ook hebben. Bijna hadden we het gedaan, dan had ik het
ook opgelopen. Want dit kan toch geen grap zijn? Wie bedenkt nou zoiets om wraak te nemen.
Ik raap ik mijn shirtje van de vloer en trek het aan. Ik wil hier weg.
‘Ik ga.’
Tim probeert me tegen te houden, maar ik loop zijn kamer door, de woonkamer
in.
‘Geef me dan tenminste je telefoonnummer,’ smeekt hij me.
‘Heb ik niet, is kapot.’
Hij pakt een pen en krabbelt ermee zijn telefoonnummer op een stuk pizzadoos.
Hij stopt het in mijn handen.
‘Bel me van de week,’ fluistert hij.
Ik pak mijn tas en stop zijn nummer erin. Ik loop verder naar de voordeur.
‘Nou doei, ’ stamel ik, en ik ben weg.
‘Zal ik je echt niet thuisbrengen?’ hoor ik hem nog naroepen.
Ik draai me om. Hij staat in de deuropening. Nog één keer neem ik een beeld van
hem in me op. Dan zet ik het op een rennen.